Gisteren liep ik door mijn geliefde polder. Er was een gure, koude, messcherpe wind en ik zag mijn eigen schaduw voor mij uitlopen. Een figuur met grote, lange benen. Het deed mij mijmeren over groter groeien en het in de toekomst stappen.
De tijd dwingt ons voorwaarts te gaan. Er is geen ontsnappen aan. We kunnen niet anders dan door doorlopen in de tijd. Met elke minuut die verstrijkt worden we ouder: knallen we straks 2026 in.
Soms is dit een troost. Tijd heelt alle wonden, of: gelukkig gaat ook deze dag, dit moment, dit jaar, of deze pijn weer voorbij.
Soms is het een vloek. Spartelen we tegen het ouder worden, hebben we weerzin in dat wat komen gaat en willen we hier en nu blijven zoals het is, of liever terug naar hoe het was.
In de polder word ik overmand door die grote figuur voor mij. Het lijkt symbool te staan voor mijn persoonlijke opdracht voor 2026. Dit beeld van groter groeien, van zo’n gigantische schaduw, overweldigt me.
Ik vraag me af: maar wat staat er achter mij? Ik draai mij om en ik word verblind door deze prachtige ochtendzon.
Ik sluit mijn ogen voor het felle licht. Mijn gezicht wordt warm en ik voel hoe de gouden gloed mij doet smelten. Ik word aangeraakt door de verbluffende schoonheid van dat wat groter is dan ik.
En ik realiseer me: als ik teveel voorwaarts ga dan duizelt het mij. Dan eet de tijd mij op en kan ik mijn eigen maat niet vinden. Als ik mij kan openen voor wie of wat er achter mij staat, dan land ik in het hier en nu.
Dan is er steun en hoef ik niet bang te zijn. Kan ik mij vrij bewegen in de benauwenis van de tijd. Dan is er vertrouwen en moed. Dan ben ik klaar voor wat komen gaat.
De juiste maat met Oerbouillon